Het vaststellen van een normering of cesuur

Bij het afnemen van toetsen is het van belang vast te stellen wanneer een student geslaagd is of niet. Deze zak/slaaggrens wordt 'cesuur' genoemd. Ook moet eventueel bepaald worden welk cijfer of welke nadere kwalificatie de student heeft verdiend: de normering. Er zijn in principe drie manieren om een cesuur/normering vast te stellen: de absolute methode, de relatieve methode en compromis methoden.

Absolute methode bij gesloten vragen

De docent bepaalt vooraf hoeveel van de te behalen punten minimaal gescoord moeten worden voor een voldoende. De rest van de normering wordt vervolgens afgeleid van deze cesuur in relatie tot het maximaal te behalen aantal punten. Bij toetsen met gesloten vragen dient bij dit alles eerst de gokkans bepaald te worden voordat cesuur en verdere normering vastgesteld worden.

Voorbeeld

Als er 40 meerkeuzevragen met 4 antwoord-mogelijkheden zijn is er bij gokken 25% kans om een vraag goed te beantwoorden. In totaal zullen dan dus 25% van 40 = 10 vragen goed worden beantwoord. Daarnaast dienen de studenten van de overige 30 vragen er 16,5 goed te hebben voor een voldoende (bij een kennispercentage van 55%). In totaal moeten dus 10 + (55% van 30) = 26,5 vragen goed worden beantwoord. De cesuur ligt in dit voorbeeld bij 27 goed beantwoorde vragen.

Absolute methode bij open vragen

Voor toetsen met open vragen moet eerst een antwoordmodel worden geformuleerd waarin per antwoord wordt aangegeven hoeveel punten kunnen worden gescoord. Daarna kan uit de som van het aantal te behalen punten weer worden bepaald waar de cesuur komt te liggen en hoe de verdere normering er uit ziet. Bij complexe open vragen als schrijfopdrachten, essays en scripties is het aan te bevelen gebruik te maken van een rubric waarin per te beoordelen aspect definities van de kwaliteitsniveaus worden gegeven. De scores op alle aspecten samen vormen dan (na weging) het uiteindelijke cijfer.

Relatieve methode

Bij de relatieve methode gaat men uit van de scores van alle studenten om de cesuur te bepalen. De maximale en minimale scores in een studentengroep bepalen in dit geval de uiteinden van de beoordelingsschaal. De scores van de overige studenten worden hiertegen afgezet. Het cijfer geeft daarmee aan wat de relatieve positie van een student is ten opzichte van de andere studenten en niet ten opzichte van de leerstof. De cesuur wordt bij deze methode pas na afloop van de toets bepaald. De methode is ongeschikt voor kleine groepen studenten (minder dan 50) en het percentage gezakten/geslaagden ligt vast – ongeacht de feitelijke toetsresultaten.

Compromismethoden

Zowel de absolute als de relatieve methode hebben voor- en nadelen. Daarom zijn er verschillende compromismethoden ontwikkeld. Meestal wordt daarbij uitgegaan van een absolute norm, maar deze wordt bijgesteld als bepaalde omstandigheden dat vragen. (bijvoorbeeld een te moeilijk tentamen dat leidt tot te veel gezakte studenten). Een interessante compromis methode is die van Cohen-Schotanus. Deze gaat er van uit dat een maximale score op een tentamen -dus alle vragen goed beantwoord- in de praktijk vaak niet behaald wordt. De gemiddelde score op een tentamen van (bijvoorbeeld) de 5% beste studenten (die dus eigenlijk een 10 zouden moeten krijgen) wordt daarom beschouwd als maximum te behalen punten. Op grond hiervan wordt de cesuur afgeleid.

Meer lezen over het vaststellen van een normering of cesuur?

Gepubliceerd door  Toetsing

25 april 2017