Ontwerpen van toetsvragen

Ontwerpen van multiple choice vragen

Een multiple choice vraag bestaat uit a) een heldere vraag of probleemstelling en b) aantal antwoordalternatieven. Er is meestal 1 antwoord het juiste of beste en de andere antwoordopties dienen als afleider. Deze vraagvorm wordt veel gebruikt, voornamelijk om lagere cognitieve skills te toetsen.

Voorbeeld

Welke filosoof deed de uitspraak “Ik denk dus ik besta”?

1. Leibnitz
2. Hume
3. Descartes

Driekeuzevragen zijn meestal makkelijker en minder tijdrovend om te maken dan vragen met vier plausibele antwoordopties. Bij tweekeuzevragen is de gokkans dat studenten het goed antwoord raden relatief groot. Driekeuzevragen lijken een goede compromis.

Voor- en nadelen van multiple-choice vragen

Voordelen

Nadelen

Het nakijken kost weinig tijd; kan zelfs geautomatiseerd. Niet alle soorten cognitieve skills kunnen met gesloten vragen getoetst worden; zie ook het eerstgenoemde voordeel van open vragen.
De beoordeling van de antwoorden is volledig objectief: Tussen beoordelaars zullen geen verschillen optreden en ook zal één beoordelaar alle leerlingen op dezelfde wijze beoordelen. De leesvaardigheid van studenten speelt een rol bij het maken van de vragen, meer dan bij open vragen. Voor bepaalde leerlingen kan dit een probleem vormen.
De schrijfvaardigheid van de student speelt geen rol.

Naarmate het aantal antwoordalternatieven kleiner is, is de kans groter dat het goede antwoord door gokken gekozen wordt. Een gokkanscorrectie dient te worden toegepast.

Er kan veel bevraagd worden in relatief korte tijd. Het construeren van de vragen is moeilijk en tijdrovend.

De vragen zijn goed te gebruiken voor statistische berekeningen (moeilijkheidsgraad, betrouwbaarheid).

 

 

Bron: Moelands, H., Noijons, J. & Rem , J. (1992). Toetsen met gesloten vragen. Een handleiding voor het construeren van toetsen met Meerkeuzevragen. Citogroep Arnhem.

Vormen van open vragen

De verschillende vormen van open vragen worden onderscheiden naar de lengte van het antwoord.

In- en aanvulvragen

De student dient een onvolledige zin, berekening of tekening af te maken.

Voorbeeld:
Het grootste land van Afrika is...
De moord op John F. Kennedy werd gepleegd door...

Kort-antwoordvragen

De student dient een vraag te beantwoorden door middel van een citaat, enkele woorden, een enkele zin, getal, (eenvoudige) tekening of formule.

Voorbeeld:
Van welke vorm van online communicatie is hier sprake?

Lang-antwoordvragen

De student dient een vraag te beantwoorden door middel van een samengestelde zin of toelichting, een complexe berekening of tekening, of een bewijs bestaande uit verschillende stappen.

Voorbeeld:
Leg uit waarom angstcommunicatie soms averechts kan werken.

Opstelvragen

De student dient een aanzienlijke tekst, gestructureerd volgens een inleiding, midden en slot, of zeer gedetailleerde tekening of berekening te produceren die beiden als afgerond geheel beschouwd kunnen worden.

Voorbeeld:
Schrijf een essay over de volgende stelling “De framing in de media van terrorismedreiging beïnvloedt de publieke opinie over dit issue zo sterk, omdat het sterke emoties oproept bij burgers.”

Maak in de eerste zin expliciet je positie duidelijk, door te kiezen tussen:
1. Ik ben het eens (of neig ernaar om het eens te zijn) met de stelling;
2. Ik ben het oneens (of neig ernaar om het oneens te zijn) met de stelling;
3. Ik sta neutraal tegenover de stelling.

Het essay bestaat uit een korte introductie, je argumenten en een conclusie.

Voor- en nadelen van open vragen

Voordelen

Nadelen

Sommige toetsbare doelen kunnen alleen met open vragen (in de bredere zin van het woord) getoetst worden, bijvoorbeeld doelen waarbij creativiteit een rol speelt (het ontwerpen van een onderzoeksopzet) of wanneer de kennis van de verschillende studenten heel divers is (Bijvoorbeeld: ¨noem de namen van twee grondleggende psychologen die de ontwikkeling van kinderen beschreven¨. Niet alle studenten zullen dezelfde psychologen benoemen.) Het is lastig open vragen zo te formuleren dat het voor studenten compleet duidelijk is wat voor antwoord van hen wordt verlangd. Worden studenten die de vraag niet goed begrepen hebben voor hun onbegrip gestraft?
Studenten worden in hun antwoorden niet in hun vrijheid beperkt en kunnen daardoor, als dat gewenst is, creatief bezig zijn. Beoordelars kunnen verschillen in hun beoordeling. Wanneer één docent een werk (blind) beoordeelt vormt dit een minder groot probleem, maar wanneer toetsen door meerdere docenten worden nagekeken kan dit problemen opleveren. Een groot deel van de problemen is te voorkomen met een vooraf opgesteld, vrij nauwkeurige norm/correctiemodel. Een voorbeeld hiervan is een rubric.
De docent kan aan de antwoorden van studenten zien of de vraag al dan niet duidelijk gesteld was. Als er problemen worden gesignaleerd dan kan de vraag voor gebruik in een andere toets worden aangepast. Het beoordelen kan tijdrovend zijn.
De docent kan aan de antwoorden van een student zien in welke mate die de stof beheerst en waar zich problemen voordoen.  

 

Bron: Moelands, H., Noijons, J. & Rem , J. (1992). Toetsen met gesloten vragen. Een handleiding voor het construeren van toetsen met Meerkeuzevragen. Citogroep Arnhem.

Gepubliceerd door  Toetsing

12 april 2018